Begrippen - Raccent = onderwijsvernieuwing; betekenis = leren uit relaties; Expert = Jos Geerligs;
foto2 image

Begrippen

Op deze site worden tal van begrippen gebruikt. Soms hebben die begrippen een iets andere betekenis dan u verwacht. Dat komt omdat wij precies willen zijn over het verschil tussen bijvoorbeeld verklarende kennis en ervaringskennis, en tussen zeven soorten van reflectie. In het dagelijks gebruik zal iemand kunnen opmerken: "Dat is logisch!" Dan bedoelt hij meestal: "Dat voelt iedereen wel aan!" Wij gebruiken logisch in relatie met verklarende kennis. En aanvoelen in relatie met ervaringskennis. En "Begrijp je?" vragen gebruiken we in relatie met reflectie op verklarende kennis. En "Wat speelde ... ?" vragen in relatie met ervaringskennis. Hierdoor ontstaat een nauwkeuriger, maar iets afwijkend begrippenapparaat. 
U zult zien dat het verbinden van theorie en praktijk al flink geholpen is met een precieze woordkeuze. 

Bronnen

De bronnen zijn eigen werk (zie onderstaande afkortingen) en literatuur (met verwijzing):

K3           Kenniskubus – over kennisproducten, kennisproductie en dynamiek (pdf op deze site)
IiZ           Innovatie in zicht – over kenmerken van ontwikkeling (pdf op deze site)
HC          Hoezo competentie? – verhaal voor leerlingen (Winkel)
VvC        Verwerven van competentie – verhaal voor docenten (Winkel)
400w     400 werkvragen bij reflectie op competentie – hulp voor docenten (Winkel)
BvC        Beoordelen van competentie - verhaal voor ontwikkelaars en assessoren (Winkel)
Lomo     Leren omgaan met onzekerheid - verhaal voor lerarenopleiders (pdf op deze site)

A. Beroep en competentie - Lomo

Een Beroep is een samenhangende groep van functies, die breed toepasbaar is en geldig is op meerdere functieniveaus.

Een Beroepsprofiel is een beschrijving van de 1) activiteiten, kerntaken of opgaven, 2) het domein waar deze vervuld worden en 3) indicatoren met criteria en normen, die voor de uitoefening van een beroep nodig zijn.

Bekwaamheid of Competentie is adequaat handelen in veranderlijke (beroeps-)situaties.
 = een kwalificatie is een onderdeel van competentie;
     het is een afgerond handelingsrepertoire bij een werkproces 
 = een vaardigheid is deel van een handelingsrepertoire of handelingsstructuur 
     het is een reeks van vaardigheden die samen een afgeronde handeling vormen
 = een startbekwaam persoon is gekwalificeerd voor het beroep (denk aan de 1e 3.000 uur praktijkleren) en
 = een vakbekwaam persoon is ingewerkt in een functie (en aan de 2e 3.000 uur praktijkleren -
     volgens Ericsson, Krampe & Tesch-Römer, 1993)..

B. Handelen en Leren - Lomo

Handelen is wat iemand doet: iets zien, (be)denken, beslissen en/of uitvoeren. 

Voorwaarden voor handelen hebben een bepaald niveau. Het is adequate toerusting, Bedingungen (Straka & Macke, 2008) of prerequisites (Nijhof, 2008) . 

Het Zelf omvat de interne Bedingungen (Straka & Macke, 2008): eigen weten, vaardigheden, bekwaamheden, interesses, motieven, waarden (Gagné, 1965).

De Situatie omvat de externe Bedingungen (Straka & Macke, 2008), de context:
 = werkplek: de praktijksituatie, de situatie van de werkgever, het productieproces en de collega’s,  
 = leerplek: de schoolsituatie, de situatie van de leraar, de methoden, de andere leerlingen en het programma,
 = er zijn situaties van persoonlijke, maatschappelijke en beroepsactiviteiten.

Een Activiteit is actueel handelen, Handlungsebene (Straka & Macke, 2008); zij is mogelijk door het doen van het zelf en zij wordt beïnvloed door de situatie. De activiteit kan gevolgen hebben voor de situatie, als die wordt veranderd, maar ook voor het zelf, als iemand vaardiger wordt.

Werkprocessen zijn activiteiten voor het realiseren van een resultaat:
  = een feitelijk werkproces is een activiteit voor een opdrachtgever, werk voor een klant (K3)
  = een formeel werkproces is een beschrijving in een kwalificatiedossier
  = een beleefd werkproces is het eigen handelen in een situatie.

Leerprocessen zijn activiteiten voor de verandering van het zelf - individueel of van de groep.

Leren is een duurzame verandering van het zelf (Straka & Macke, 2008); verwerven van identiteit of bekwaamheid is moeilijk te scheiden (Verhaeghe, 2012). 

Transfer heeft betrekking op de invloed van verworvenheden in het zelf op het handelen in een nieuwe situatie.

Leervragen (leerdoelen volgens Siegers, 2002; pp. 747-754) zijn vragen die iemand zich stelt over de leemtes in zijn repertoire na reconstructie van een belevenis en beleving en analyse van zijn handelen.

Leerwinst is progressie van het niveau van leervragen. Een reeks leervragen geeft een leerlijn. Leervragen kunnen worden ingedeeld naar specifieke leerlijnen: een integrale leerlijn, ervarings-reflectie leerlijn, vaardigheden leerlijn of conceptuele leerlijn (De Bie & de Kleijn, 2001; pp. 25-42). 

C. Onze werelden - Lomo

De Werkelijkheid  is zoals de omgeving of context feitelijk is.
"De autonomie van de menselijke wil in de door natuur begrensde omgeving" (Emanuel Kant, 1788. Kritiek van de praktische rede, p 82); de fysieke wereld de World 1 (Karl Popper, 1972. Objective knowledge: an evolutionary approach).

De Ideeënwereld is de door mensen gemaakte denkwereld. 
De ideeënwereld of kennis, is wat de mensheid denkt over wat is en kan. Wat gemaakt is door kennisproductie (Gibbons e.a., 1996). Kennis die wordt verbeterd en die een eigen dynamiek heeft, de World 3 (Popper, 1972). "Het stap voor stap argumenteren ... om de eenheid van alle mogelijke empirische verstandshandelingen systematisch te maken" (Kant, 1781, p 559). 

D. Praktijk - Lomo

Een Praktijk(situatie)  is de werkelijkheid van het beroep (Pcgo).
De praktijk als oefensituatie is de werkelijkheid bij het leren. 

Een Belevenis is zoals iemand een situatie mee maakte. "Wat een beginnende reflectant vertelt over wat er gebeurde … veel meemaken en weinig ervaren."(Siegers, 2002, Handboek Supervisiekunde. p. 18). De subjectieve of mentale wereld, de World 2 (Popper, 1972). 

Een Grenservaring is een indringende belevenis. Een belevenis waarbij iemand een cognitief probleem ervaart en iets niet begrijpt, of mentaal iets tegenstaat omdat een eerdere identificatie hem in de weg staat (Meijer en Wardekker, 2001).

Een Beleving is de betrokkenheid van iemand bij een belevenis.
Een Ervaring is een beleving die het zelf verandert en die tot leren leidt.

E. Theorie en reflectie (1) - Lomo

De theorie is de ideeënwereld van het beroep (Pcgo)
De encyclopedie van het vak (K3).  De referenties die iemand gebruikt bij reflectie op de praktijktheorieën, de academische kennis of disciplinaire kennis voor zover zij gebruikt wordt in (het perssoonlijk en maatschappelijk leven en) het beroep. 

Reflectie is terugblikken op handelen, situaties en het zelf, onder andere:
 = reflectie op belevenissen   (voor reconstructie) van situatie en handelen
                                                      procesbewustzijn, situatiebewustzijn (situation awareness)
 = reflectie op argumentatie   vanwege geldigheid in de ideeënwereld, concluderen
                                                      bepalend oordeelsvermogen (Kant, 1790)
 = reflectie op belang                vanwege realisme in de werkelijkheid, kiezen
                                                      reflecterend oordeelsvermogen (Kant, 1790)
 = reflectie op doel                     vanwege het eigen willen in het zelf, oordelen
                                                      teleologisch oordeelsvermogen (Kant, 1790; §71).

Oordeelsvermogen in enge zin is kunnne oordelen.
Andere woorden hiervoor zijn algemeen of teleologisch oordeelsvermogen. De basis voor oordelen die ontstaat door het verbinden van praktijk en theorie; van werkelijkheid en ideeënwereld (Henk Procee, 2006. Reflection in Education: a kantian epistomology. ET 56(3):237-253). Het onderscheid tussen werkelijkheid en mogelijkheid (Emanuel Kant, 1793. Kritiek van het oordeelsvermogen, p 340).
In ruime zin is oordelen kunnen beslissen (Pcgo) en beslissen omvat het situatiebewustzijn, concluderen, kiezen en oordelen.

Aspecten van handelen (in een eenvoudige complete handelingsstructuur):
 =  Zien             is wat van een situatie via de zintuigen binnenkomt zoals dat kan worden gereproduceerd
                          (is een transformatie van Wereld 1 naar Wereld 2; Popper, 1972).
 =  Denken       is informatie (datgene wat iemand begrijpt, von Weizsäcker, 1974)
                          generaliseren en structureren (een transformatie van Wereld 2 naar Wereld 3).
 =  Beslissen  is 1) volgen van een conclusie, 2) maken van een keuze (impliciet afwegen)
                          of 3) oordelen (uitleggen wat de afweging is tussen conclusies en keuzen);
                          het verbinden van Wereld 1 en Wereld 3.
 =  Uitvoeren    is realiseren en opruimen (vanuit Wereld 2 de Wereld 1 veranderen).

F. Variabelen bij adequaat handelen in veranderlijke situaties - Lomo

Activiteit  is een typering van de eisen aan het handelen in een concrete situatie
 = Fysieke werkdruk   de lichamelijke belasting van een activiteit
 = Mentale werkdruk    de geestelijke belasting van een activiteit
 = Autonomie                 de (verandering van de) eigen positie tijdens een activiteit,
                                         rolwisseling bijvoorbeeld de chef vervangen, of een boze klant helpen
 = Complexiteit              het aantal variabelen van een activiteit, bijvoorbeeld "drie"  
 = Dynamiek                  de (af)wisseling van variabelen van een activiteit, bijvoorbeeld "twee"

Prestatie is een typering van het handelen in het werkproces (Olbrich & Pfeiffer, 1980)
 = Uitvoeren                   de standaard procedure afhandelen bij een activiteit
 = Bijsturen                    corrigeren als het anders gaat dan gedacht
 = Organiseren               zorgen dat uitvoering goed blijft verlopen
 = Communiceren         zorgen dat iedereen op de hoogte kan zijn en blijven
 = Verantwoorden          beslissen en verdedigen van een initiatief en voortgang

Vermogen of capaciteit is een typering van het handelen in het leerproces (Olbrich & Pfeiffer, 1980)
 = Regels                       (praktijk-)theorie  kennen en benutten (Bloom, 1956); De kritische rede (Barnett, 1997)
 = Eigen leren                invullen en sturen van eigen ontwikkeling
 = Bronnen                     benutten, kiezen en ontwikkelen van bronnen
 = Verbindingen            afstemmen tussen (trans-)disciplines (Gibbons e.a. 1996)
 = Eigen perspectief     sturen van eigen opgaven/bewustzijn (Kegan, 1994).

Deze 15 variabelen kunnen onderwerp van reflectie zijn - zie H.

G. Ontwikkelstappen - Lomo

Ontwikkelstappen kunnen opgaven zij bij het verwerven en criteria bij het toetsen van competentie

De prestatie-indicatoren bij het handelen in het werkproces (Lernziehlstufen van Olbrich & Pfeiffer, 1980):
  a  één handeling van een aanpak
  b een aanpak met de handelingen van een volledige handelingsstructuur:
      iemand kan een aanpak helemaal uitvoeren, bijsturen, communiceren, organiseren en/of verantwoorden
  c een alternatieve aanpak: iemand kan onkruid wieden met de hand of schoffelen met een machine
  d alternatieven  combineren en integreren voor een optimale aanpak:
     een gemengde aanpak toepassen afhankelijk van de omstandigheden
  e een vernieuwde aanpak: een verandering agenderen en verdedigen. De kritische actie (Barnett, 1997).

De vermogensindicatoren bij het handelen in het leerproces (Lernziehlstufen van Olbrich & Pfeiffer, 1980):
  1 de beginselen kennen: het paraat hebben van (praktijk-)theorie, uitgangspunten
  2 de relatie van beginselen met de praktijk kennen
  3 de beginselen toepassen in de praktijk, de praktijkkennis van de leerling (Senge, 1992, p. 360):
      praktische situaties kunnen uitleggen
  4 aanvoelen welke beginselen in situatie toe doen er toe doen, de principes van de gezel
     (Senge, 1992, p. 360): door de bomen het bos zien.
  5 een standpunt innemen, de essentie van de meester (Senge, 1992, p. 360):
     betekenis geven aan een situatie of een beginsel. Het kritische zelf (Barnett, 1997).

H. Aspecten van leerproces bij verwerven van competentie - Lomo, zie: O & Q

De zeven reflectievragen:
         - "Begrijp je?"                               Vakkennis is beheersen van theorie
         -  "Kun je ...?"                               Vakvaardigheid is beheersen van de uitvoering
      + "Wat kan gedaan worden?"      Expertise is wat wetenschappelijk en technologisch mogelijk is
         -  "Wat speelde om je heen?"  Teamroutine is gevoel voor belangen in de omgeving
         -  "Wat speelde bij jou?"            Redzaamheid is bewustzijn van het zelf in een situatie. 
      + "Wat waren de belangen?"       Praktijkrepertoire is  gevoel voor richting ineen praktische situatie
   # "Wat vind je ervan?"                      Oordeelsvermogen is de afweging van mogelijkheden en belangen. 

Expertise kan worden benaderd als: 1)  het grootst verstandelijk vermogen, 2)  het meest geoefend, 3) de beste probleemoplosser, 4) het best geschoold, of 5) het best presterend (Ericsson, 2009; Chapter I in: The Cambridge handbook of Expertise and Expert Performance). Wij gebruiken Expertise in de betekenis 4) het best geschoold. We gebruiken Praktijkrepertoire in betekenis 2) het meest geoefend. Oordeelsvermogen komt uit bij 3) de beste probleemoplosser.

I. Hoofdprocessen in competentiegericht onderwijs - Lomo

Processen in de praktijk (en op school):
 = Werkproces   is activiteit voor een opdrachtgever met als doel productie
 = Leerproces    is activiteit voor de eigen ontwikkeling of die van het team. 

Leerprocessen
  = Verklarend leren is leren door verwerven van informatie.
      Synoniemen: declaratief leren, serieel leren, leren van theorie; leren door instructie en oefening;
      de begeleiding is een algoritme: leerdoel > instructie > reproductieve toets,
      ontwikkelen van bepalend oordeelsvermogen
  = Ervaringsleren is leren door reflectie op belevenissen.
      Synoniemen: procedureel leren, parallel leren, leren van activiteiten; leren door doen;
      de begeleiding is een heuristiek: perspectief > reconstructie van handelen > leervraag, 
      ontwikkelen van reflectief oordeelsvermogen
  = Transfereren en transformeren is leren verbinden
      Synoniem: conceptueel leren, composities maken van doel/belang en inzicht/ontwerp,
      dat geldt met name voor de vragen die onder H. met een + of # zijn gemarkeerd.
     de begeleiding is een heuristiek: perspectief > reconstructie van beslissing > leervraag,
     ontwikkelen van algemeen oordeelsvermogen (Scruton, 1982).

Leerplekken en -plaatsen  zijn situaties of contexten voor de leerprocessen
  = Praktijkleren is leren door activiteiten in de praktijk, buitenschools leren
  = Leren op school is leren door een lesprogramma, binnenschools leren.

Instructie bij leerprocessen
  = (Praktijk)opgave is een open oefening in de praktijk met een beperkt risico: “Zorg dat x wordt opgelost”, of
      “Kijk eens of y nog nut heeft”, of “Zorg dat z wordt gedaan.” Er is ruimte voor bijsturen
  = Simulatie is een realistische open oefening in een beheerste omgeving
  = Opdracht is een gesloten oefening in een beheerste omgeving: “Doe handeling x”, “Memoreer informatie y”.
      Er is geen ruimte voor bijsturen. 

Typen vragen bij leerprocessen
  = Kennisvraag is de beschrijving van de kennisbehoefte (van een doelgroep)
     Een gearticuleerde duiding van de kennisproductie, het kennisproduct en de dynamiek van
     kennisbenutting (K3).
 = Leervraag is een persoonlijke kennisvraag, zie Handelen en leren
     De uitspraak waarmee de leerling zijn leerbehoefte tot uitdrukking brengt en probeert te agenderen;
     een leervraag is een kleine intrigerende vraag.
 = Intrigerende vraag is een bestaansvraag, die de betrokene bezighoudt
     De vraag “Wat houdt ons bezig?” of “Hoe eerlijk moet je zijn?”;
     De vragen die student, docent en praktijk(begeleider) intrigeren.
 = Werkvraag is een hulpvraag bij de reconstructie van belevenissen.
     De vragen die een begeleider bij reflectie aan een student stelt; de vraag die de student zichzelf
     stelt om sturing te geven aan zijn leerproces; een werkvraag is een kleine kennisvraag.

J. Beoordelen/toetsen - Lomo

Categorieën van aspecten bij de beoordeling:
  = Variabelen zijn mogelijke expressies van adequaat handelen.
  = Kenmerken zijn variabelen die in een actuele situatie waarneembaar zijn
     en die daarnaast een leerdoel zijn in het formele werkproces.
  = Criteria zijn kenmerken die een leerling in een situatie tot expressie brengt.
  = Scores zijn waarderingen (op een schaal) van een criterium.
  = Normen zijn scores van criteria die bij een opleidingsniveau vereist zijn (Hofstee, 1999).

 Beoordelen van niveau van competentie 
  = De Situatie is de context waarin de beoordelaars de leerling zien handelen;
     bij cgo een representatie van het werkproces in het kwalificatiedossier.
  = De Focus van beoordelaars  is het object van hun beoordeling:
      voor beoordeling van competentie is dat de leervraag van de leerling.
  = De Referentie voor beoordelaars is de set criteria en normen voor
     het scoren van de beheersingsgraad van de variabelen van competenties. 

K. Redzaamheid in plaats van vorming

In enge zin is redzaamheid het benutten van het bewustzijn van het zelf in concrete situaties.

Vanuit een constructivistische psychologie gedacht kan in plaats van 'vorming' beter van 'ontwikkeling van redzaamheid' worden gesproken.
  = Zelfredzaamheid  is persoonlijke redzaamheid 
  = Burgerschap is maatschappelijke redzaamheid
  = Vakbekwaamheid  is redzaamheid in het beroep
Het referentiekader voor oordelen bij zelfredzaamheid is het zelf, in geval van burgerschap omvat het referentiekader ook de maatschappelijk context, en bij vakbekwaamheid wordt die context nog ruimer: de werkgever, de klant, de collega's, de wetgeving, de concurrenten, de media, etc. Vanwege de complexiteit van de context zal het oordeelsvermogen voor zelfredzaamheid gemakkelijker kunnen ontwikkelen dan voor burgerschap en vakbekwaamheid.

Een ondernemende houding is een aspect van redzaamheid en kan betrekking hebben op een handeling, een taak, een activiteit of een instelling (een dienst of een bedrijf):
  = Ondernemer is iemand met de vakbekwaamheid om verantwoordelijk te zijn
      voor een economische activiteit - instelling - bedrijf.
  = Bestuurder is iemand met de vakbekwaamheid om verantwoordelijk te zijn
      voor een publieke activiteit - instelling - dienst.

L. De verhouding van praktijk en theorie

Theorie (2) is een eiland van zekerheid  (wetenschappelijk, technologisch of beroepsmatig) 
De generieke geldigheid van theorie (inzichten en ontwerpen, in K3).  De World 3 van Popper.

Praktijk is een zee van onzekerheid
De structureel onvoorspelbare dynamiek en diversiteit van praktijksituaties (HC). De kenmerken de moderne samenleving 1. de acceptatie van onzekerheid en 2. de individuele autonomie (Ulrich Beck, 2007; World at Risk)

Reflectie  (zie E)  is terugblikken op inzichten, belevenissen of beslissingen.
Het benutten van een eiland van zekerheid (theorie) bij het terugblikken vanuit de zee van onzekerheid (praktijk). De disciplinaire wereld die een onderdeel is van de transdisciplinaire wereld (Gibbons e.a., 1996. The new production of knowledge).

M. Vier processen van kennisproductie (K3, Nonaka & Takeuchi, 1995)

Informatie (I)    expliciete kennis of codified knowledge: feiten of data met daaraan gekoppeld een doel.
De feiten, relaties, modellen, hypothesen en paradigma’s die objectief waarneembaar of eenduidig vastgelegd zijn gekoppelt aan een doel; vergelijk de kennis die ieder die onmiddellijk zal begrijpen en kunnen plaatsen als hij de regels kent.
Concept            model met daaraan gekoppeld doel.

Ervaring (E)       impliciete kennis of tacit knowledge.
De capaciteit van mensen die hen  in staat stelt om met dezelfde ervaring op niet eerder gestelde vragen een zelfde antwoorden te geven. De kennis die ingewijden onuitgesproken delen.

Vier processen van kennisproductie:
E+E  =>  E’        ervaringen combineren met andere ervaring (socialiseren)
E       =>  I           ervaring omzetten in informatie (externaliseren)
I + I   =>  I’          informatie combineren met andere informatie (combineren)
I        =>  E          informatie omzetten in ervaring (internaliseren)

Bij leren is sprake van veelvuldig doorlopen van alle vier processen van kennisproductie. Elk proces vertegenwoordigd een leerstijl, waarvoor iemand een voorkeur of aanleg zou kunnen hebben (Kolb, 1976). Leren of verwerven van bekwaamheid is is individuele kennisproductie gericht op competentie.

Objecten van kennisproductie:
 = Wereld 3        toevoegen aan de wereldvoorraad kennisproducten.
 = Mensen         meer mensen drager laten zijn van kennis.

N. Vier kennisproducten

Inzicht                   is alles wat waar is (K3).
                              De informatie met een generieke geldigheid (wetenschap, theorie)
Ontwerp               is alles wat werkt (K3)
                              De constructen die doen waarvoor ze gemaakt zijn (technologie, artefacten
                              die door toedoen van mensen aan de natuurlijke omgeving zijn toegevoegd)
Routine                gaat over effectief handelen van een team.
                              Het doelgericht handelen binnen een werkgemeenschap en het nut van
                              gewoontes(K3); het handelingsrepertoire van een team; het team benut
                              met haar routine een combinatie van inzichten en ontwerpen (K3).
Bekwaamheid    competentie is adequaat handelen binnen een routine
                               Het efficiënt gedrag van een individu binnen een werkgemeenschap (K3);
                               vooral als een activiteit anders verloopt dan vooraf werd verondersteld;
                               het vertrouwen krijgen om een taak te mogen doen (K3); activiteiten die er
                               in het beroep toe doen (Toolsema, 2003); vakbekwaamheid (Sennett, 2008;
                               De Ambachtsman).

Inzichten en ontwerpen zijn toegankelijke en stapelbaar, denk aan bibliotheken en musea. Routines en competenties zijn moeilijk toegankelijk en contextgebonden (en probleemafhankelijk).

O. Aspecten van bekwaamheid (zie: H & Q)

Zeven aspecten van bekwaamheid:
        - Vakkennis is weten hoe het zit (HC)
           De encyclopedie van het vak (K3); de informatie die nodig is om een opgave te begrijpen
           en de zin te zien (VvC). Vakkennis leer je vooral uit een bron. Dat hoeft niet persé, je kunt
           ook in de praktijk veel leren. En dat maakt ook een diepe indruk. Maar als jij iets wilt weten,
           kun je het sneller (her)lezen dan wachten totdat het in de praktijk (weer) gebeurt (HC).
         - Vakvaardigheid is beheersen van de uitvoering (HC)
            Het zij de handleidingen bij taken (K3); de vaardigheid die nodig is om de gangbare
            hulpmiddelen goed te gebruiken (VvC). Vakvaardigheid leer je door doen, zowel op school
            als in de praktijk. Oefening na oefening voer je uit tot dat je het kunt. In de praktijk leer je
            meestal een beperkt aantal oefeningen heel goed. (HC).
    = Expertise is het voorspelbare deel van denken en doen in het beroep
       Antwoord geven op de vragen "Wat zou ik kunnen doen?"of
       "Wat is wetenschappelijk en technologische mogeljk?"
          - Teamroutine  samenwerken in een team (HC)
             Het is meedoen met de aanpak van een ploeg (K3); het samenwerken in een team (VvC).
             Teamroutine kun jij alleen in de praktijk leren. Alleen in de praktijk merk je hoe typisch en
              verschillend teams kunnen zijn. Maar ook wat je motiveert en of je een beroep ziet zitten (HC).
           - Redzaamheid bijsturen als een werkproces dat vergt (HC)
              Het is voor een boodschap gestuurd kunnen worden (K3); het beoordelen van de
              werksituatie en de eigen rol daarin (VvC). Redzaamheid leer je door in de praktijk
              problemen op te lossen. En door over gebeurtenissen na te praten en denken.
              Bespreken van gemaakte keuzen. Daar komt het in de praktijk meestal niet van en
              dat kan achteraf ook op school (HC).
       = Praktijkrepertoire is het omgaan met belangen in de praktijk van het beroep
           Antwoord geven op de vraag: "Wat waren de belangen?"
  # Oordeelsvermogen is de sluitsteen van vakbekwaamheid of competent handelen
      Het afwegen van praktijk en theorie; van geldige argumenten en realistische belangen. 
      Antwoord geven en onderbouwen van van de vraag: “Wat vind je?”

P. Leerwinst

Leerwinst is proressie van leervragen
Een reeks leervragen vormt een leerlijn
Progressie vaneen leerlijn is dus ook leerwinst.
Wat de student als zijn vordering ervaart (VvC); Wat de docent constateert aan de hand van de leervragen
die iemand zich stelt – deze geven een indicatie van het niveau; dit is te zien door de combinatie van activiteit,
prestatie en vermogen, ontwikkelstappen en criteria (bijvoorbeeld § G).

Q. Criteria en toetsvormen bij aspecten van competentie - Pcgo, zie H & O

Criteria en niveaus bij zeven aspecten van vakbekwaamheid of competentie:
       - Vakkennis: reproduceert de theorie (overhoring)
       - Vakvaardigheid: demonstreert de uitvoering (praktijktoets)
   +  Expertise: 1. werken op basis van een schets
                           2. repareren en creëren ervaren als een continuüm
                           3. de situatie overzien: gaat perfectionisme uit de weg en stopt op tijd
                           4. transparant zijn: kan normen uitleggen aan buitenstaanders
        - Teamroutine: in harmonie meewerken in teams (port folio)
        - Redzaamheid: opgaven bijsturen (port folio en proeve van bekwaamheid)
    + Praktijkrepertoire: 1. van cultuurverschillen leren
                                         2. waarde hechten aan onverwachte gebeurtenissen
                                         3. loyaal zijn: balans tussen redzaamheid en teamroutine
 # Oordeelsvermogen
               beginner:           1. realiteitszin, 2. ambitie, 3. identiteit (op niveau 1, 2, 3, 4, 5, 6)
               meesterschap: 1. betekenis geven aan eigen handelen
                                            2. vertrouwen, verwachting en betrokkenheid uitspreken
                                            3. aan systeemkenmerken het effect van toepassing van regels zien
                                            4. verveling benutten, het gereedschap niet neerleggen
                                            5. discipline brengen en zich bloot geven voor kritiek.

R. Doelen in lerende netwerken

De partijen in een krachtenveld zijn het eens of oneens zijn over feiten en / of over waarden.
(M. Hisschemöller, 1993 De democratie van problemen)

Debat is onderzoeken van feiten, belangen en waarden
Dit zijn situaties waarbij men het oneens is over feiten en waarden. Er is sprake van
een lerend netwerk als belanghebbenden in een situatie van authentiek leren met
elkaar meedenken. Dit ligt het meest voor de hand bij een ongestructureerd probleem,
in een situatie waarin een doel-middel relatie nog niet bekend is. Een (groot)
voorbeeld is een breed maatschappelijk debat.

Verzoenen  is pacificeren van waardeverschillen
Dit zijn situaties waarbij men het eens over feiten, maar niet over waarden.
In een bemiddelend netwerk wordt op basis van verschillende waardenoriëntatie
gezocht naar eenheid van actie. Polderen is een situatie waarin partijen met een
verschillende waardenoriëntatie tot een gezamenlijke concrete afspraak proberen
te komen, de SER is daarvan een schoolvoorbeeld.

Uitruilen is onderhandelen van verschillende belangen
Dit zijn situaties waarbij men het eens over waarden, maar niet over feiten.
In een onderhandelend netwerk wordt op basis van een gedeelde waardenoriëntatie
een verdeling van belangen uitgevochten. Voorbeelden zijn ketenafspraken in een
productieketen en verdeling van publiek geld in begrotingsdebatten. De waarde het
product in de keten of van de publieke middelen is onomstreden, de verdeling van
de koek is een voortdurende belangenstrijd.

Regelen is technische realisatie
Dit zijn situaties waarbij men overeenstemming heeft over feiten en waarden.
De uitdaging in een regelend netwerk is een technologische optimalisatie. In een regelend
netwerk kunnen experts planmatig aan het werk. Een voorbeeld is het kadaster: het bezit van
grond is een gedeelde waarde en het opmeten van grond is een ondubbelzinnige activiteit.
Het komt veel voor dat zaken die niet geregeld kunnen worden in handen vallen van een
regelend netwerk (bijvoorbeeld omdat een parlement wetgeving wil).

S. Werken met kennis

Informatieoverdracht is een vorm van kennisdoorstroom.
Dit is het doorgeven van informatie, het eenzijdig en lineair proces waarbij een zender
informatie overdraagt naar een ontvanger.

Ervaringsuitwisseling  is een vorm van kenniscirculatie.
Het uitwisselen van ervaringen, het interactief proces dat vooral succesvol is bij het delen van
ervaringskennis; vergelijk de interactie waarbij antwoorden op niet eerder gestelde vragen worden
uitgewisseld.

Kennis in actie is perspectief delen.
Dit is het identificeren of identiteit verwerven, sturingsinformatie krijgen, het vormen van een
handelingsperspectief in een (actie-)groep. Het handelingsperspectief is de referentie bij
zelfsturing en het wordt ontwikkeld door het delen van Grote Verhalen (waardoor Eigen
Verhalen kunnen transformeren in Kleine Verhalen - zie: IiZ). 

Kennistoepassing is de inzet van een of meer aspecten van kennis in een handeling.
Bijvoorbeeld de toepassing in een vernieuwd aspect van kennis of in een applicatie van aspecten – in
dat laatste geval is wel sprake van neue Kombinationen.

Kennisbenutting  is een kennistoepassing bij een routine
Kennisbenutting is het inpassen van inzichten en ontwerpen in de routines van een (werk)gemeenschap.
Het proces om tot werking te komen noemen wij kennisbenutting.

Werking is het resultaat van kennisbenutting in een routine
Werking is het resultaat van de daadwerkelijke benutting van een combinatie van inzichten en ontwerpen,
dat zij tot de gewoonten en gebruiken van een (werk)gemeenschap (zijn gaan) behoren.
Werking betekent dat een gemeenschap een gekozen combinatie als voldoende effectief beoordeelt
èn er output of opbrengst van heeft.

Kerncompetentie is een uniek vermogen van een persoon of van een groep
Dit zijn de bekwaamheden die kenmerkend zijn voor de persoon of de groep en die niet (direct)
overdraagbaar/kopieerbaar zijn naar/door anderen.

T. Dynamiek van kennisbenutting

Initiatie is kennisproductie om aan minimum beroepskwalificatie te voldoen
Dit is initiële scholing of een inwerkprogramma. De basis die mensen moeten hebben of doorlopen
om de routines te leren beheersen zodat zij in een (werk)gemeenschap worden opgenomen (K3, IiZ).

Substitutie  is verbetering van routine door inzet van andere inzichten of ontwerpen
Dit is de eerste van drie situaties waarin de werkgemeenschap van routine verandert.
Het gaat om vervanging van bestaande inzichten en ontwerpen van de werkgemeenschap (K3, IiZ)..

Optimalisatie is verbetering van routine door andere inzet van inzichten of ontwerpen
Dit is de tweede van drie situaties waarin de werkgemeenschap van routine verandert.
Het gaat om de verbetering van de competenties van het team (K3, IiZ).

Innovatie is verandering van de opgave die een team zich stelt
Dit is de derde van drie situaties waarin de werkgemeenschap van routine verandert. Het gaat nu om
de radicale verandering van de routines van een werkgemeenschap – bijvoorbeeld door een
verandering van waardenoriëntatie; is (sociale)innovatie (K3, IiZ). Als gevolg van een meta vraagstelling
is de opgave die het team zich stelt veranderd.

U. Meten van ontwikkeling bij personen

In te voegen: DELTA

V. Meten van ontwikkeling bij teams

In te voegen: KodA

Reactie

Marktwerking ... suffie

Ik kwam er pas geleden achter wat de impact was van de Bolognaverklaring van 1999 over de hogeronderwijsruimte. De impact is het principe van marktwerking voor het hele onderwijs.

Deel deze pagina:

Recent

Gepersonifieerd leren

Ik zat afgelopen maand twee keer in een workshop over gepersonifieerd leren. Maar was het geen individueel leren?

Recensie

Identititeit

Paul Verhaeghe (2012) schreef Identititeit. Van dit boek neem ik mee dat het verwerven van identiteit niet te scheiden is van het verwerven van bekwaamheid.

R accent   •   Zwenkgras 45   •   2804 NG    •   Gouda   •   tel. +31 182 546 096   •   mob. +31 623 479 681   •   info@raccent.nl